Auteur: Marc Wiegman
Deelprotocollen

Theorie besmetting

Inhoud

  1. Wat is besmetting?
  2. Wat is infectie?
  3. Welke vormen van besmetting zijn er?
  4. De besmettingsweg - ‘Porte d’entrée’
  5. Aërogeen (aërogene besmetting)
  6. Kruisbesmetting
  7. Opsomming van micro–organismen en ziektes
  8. Ziekenhuisinfecties
  9. Micro-organismen vanuit de tropen ‘Tropische ziekten’

1. Wat is besmetting?

Besmetting houdt in dat het lichaam contact maakt met micro-organismen.

2. Wat is infectie?

Infectie is de reactie van het lichaam op het zich vermeerderen en verspreiden van micro-organismen in het lichaam.

3. Welke vormen van besmetting zijn er?

  • Enteraal (Via de mond)
  • Cutaan (Door de huid zoals prik– of snijaccident of via niet–intacte huid zoals wondjes)
  • Aërogeen (Verspreiding door de lucht)
  • Slijmvlies (Seksueel verkeer en spataccident in ogen / mond)
  • Hematogeen (Via het bloed)
  • Druppels (Via handelingen betreffende de mond - bij levenden: aanhoesten, e.d.)

4. De besmettingsweg - ‘Porte d’entrée’

Hoe komt een micro–organisme het lichaam binnen ‘Porte d’entrée’

Aan de hand van een voorbeeld:

    Het influenzavirus geeft aanleiding tot de griep als het wordt ingeademd (aërogeen, druppels). Eet men het virus op (enteraal) of zou men het op de huid aanbrengen (cutaan), dan wordt men niet ziek. De besmetting vindt plaats door het micro–organisme in te ademen. De porte d’entrée is dus aërogeen.

5. Aërogeen (aërogene besmetting)

Niet alleen bij levenden, maar ook bij overledenen moet men voorzichtig zijn met aërogene ziekten. Door het draaien, tillen en verplaatsen van de overledene kunnen micro–organismen in de lucht terechtkomen (denk aan Tuberculose). Beschermingsmaatregelen (filter–mondneusmasker) zijn in dat geval noodzakelijk. Bij het draaien of verplaatsen van de overledene komen de longen in beweging. Via de mond van de overledene vindt dan uitstoot van micro–organismen plaats.

6. Kruisbesmetting

Kruisbesmetting: (Schadelijke) micro-organismen worden door een persoon of voorwerp van de ene plek naar een andere plek / persoon overgebracht.

    Voorbeeld
      A gaat naar het toilet. A wast zijn handen niet. A komt B tegen. A geeft B een hand. De micro–organismen van A zitten op B zijn hand. B stopt zijn vingers in zijn mond. B heeft de micro–organismen van A via zijn hand naar zijn mond verplaatst.

      Het bovenstaande is een eenvoudige weg van kruisbesmetting.
      Deze weg kan in de praktijk veel langer zijn.

    Voorbeeld
      Tijdens het werk raakt een werknemer zonder handschoenen een overledene aan. Micro–organismen die op de overledene zitten, zitten nu ook op de handen van de overledenenverzorger. Deze persoon wast zijn handen niet. Even later zit hij met zijn handen aan het stuur van de bedrijfsauto. De micro–organismen van de overledene zitten nu ook op het stuur van de bedrijfsauto. Een andere medewerker zit even later achter het stuur van de bedrijfsauto. De micro–organismen van de overledene zitten nu ook op de handen van deze tweede medewerker. Tijdens het rijden krijgt hij honger en hij pakt een boterham die hij heeft meegenomen. Zonder het te weten verplaatst hij de micro–organismen van de overledene via het brood naar zijn mond.

7. Opsomming van micro–organismen en ziektes

Bacteriën

Dit zijn eencellige, kernloze micro–organismen die zich, uitzonderingen daargelaten, ongeslachtelijk delen, zoals:

  • Streptokokken
    Middenoor–, neusbijholte– en keelontsteking en tonsillitis, impetigo (krentbaard), erysipelas (wondroos) en kokkogeen eczeem.
  • Stafylokokken
    Steenpuisten, nagelriemontsteking, scheetje (op het oog), wondinfecties en mastitis (borstontsteking bij vrouwen die de borst geven).
  • Colibacillen
    Blaasontsteking.
  • Lactobacillen (melkzuurbacteriën)

Verschillende van deze bacteriën dragen wij als mensen bij ons. Deze micro–organismen zijn niet gevaarlijk indien ze zich op de plaats bevinden waar ze oorspronkelijk thuishoren en er geen sprake is van verminderde weerstand bij de drager. Verplaatsen deze micro–organismen zich echter naar een ander deel van het lichaam of is er sprake van verminderde weerstand, dan vormen deze micro–organismen wel een gevaar voor de gezondheid.

    Voorbeeld:
    Colibacillen zijn nuttig in de darmen. Worden deze verplaatst naar de urineweg, dan vormt zich een blaasontsteking. Dit is vooral bij vrouwen een veel voorkomende vorm van blaasontsteking, omdat de darmuitgang en de urine–uitgang dicht bij elkaar liggen en bij vrouwen de urineweg korter is dan bij mannen.

Naast bacteriën die zich gewoonlijk in het menselijke lichaam bevinden zijn er ook vele bacteriën die niet in het menselijke lichaam thuishoren.
Als dergelijke bacteriën zich in een menselijk lichaam vermenigvuldigen kan er sprake van ziekte. Voorbeelden hiervan zijn de bacteriën:

  • C. tetani (Tetanus)
  • Chlamydiaceae (Chlamydia pneumoniae)
  • Vibrio cholera (Cholera)

Virussen

Virussen bestaan uit een DNA of een RNA molecule, soms omgeven door een eiwitmantel. Virussen dwingen een cel tot levering van benodigde voedingsstoffen om te kunnen overleven. Voorbeelden hiervan zijn:

  • Bepaalde herpesvirussen (denk aan een koortslip)
  • Gele koorts
  • HIV
  • Hepatitis A
  • Hepatitis B en C

Schimmels (Fungi)

Schimmels bestaan uit cellen met een celkern, mitochondriën, celwand en een cytoskelet.

Tot schimmels behoren zowel meercellige organismen zoals paddenstoelen als eencellige organismen zoals gisten.

Een schimmelinfectie ontstaat voornamelijk door direct contact met een persoon of dier die een schimmelinfectie heeft. Schimmels gedijen goed op een vochtige en vette huidomgeving.

Voorbeelden van schimmelinfecties zijn:

  • Zwemmerseczeem
  • Ringworm
  • Kalknagels
  • Spruw
  • Candida-infecties

Parasieten

Een parasiet is een organisme dat zich ten koste van een ander organisme waarmee hij samenleeft in stand houdt en vermenigvuldigt (dit kunnen overigens ook virussen en bacteriën zijn).

Voorbeelden:

  • Mensenvlo
  • Hoofdluis
  • Slaapziekte (door tseetseevlieg overgebracht)
  • Schaamluis
  • Toxoplasmose (ongewassen groente)
  • Schurftmijt

Prionen

Prionen zijn ziekteverwekkende eiwitten, aanwezig in weefsels. Het risico van besmetting is niet voor alle weefsels gelijk. De weefsels met het hoogste besmettingsrisico zijn: de harde hersenvlies, de hypofyse, het binnenste van het oog en het ruggenmerg.

Mogelijke besmettingswegen zijn: het spatten van lichaamsvloeistof in het oog of een verwonding aan instrumentarium dat met het besmette weefsel in aanraking is geweest.

Voorbeelden van prionen ziektes zijn:

  • Creutzfeldt–Jacob Disease
  • Variant Creutzfeldt–Jacob Disease

8. Ziekenhuisinfecties

Onder ziekenhuisinfecties worden verstaan infecties die bij een patiënt ontstaan tijdens of door verblijf in het ziekenhuis.
Een ziekenhuisinfectie wordt vaak veroorzaakt door in het ziekenhuis aanwezige ziektekiemen, meestal afkomstig van andere zieke mensen.
Ook is het mogelijk dat micro–organismen zich door medische ingrepen verplaatsen naar delen waar dit micro–organisme normaliter niet voorkomt, waardoor een ziekte ontstaat.
Een patiënt met een verminderde weerstand loopt meer risico op een ziekenhuisinfectie.
Doorgaans is de oorzaak van ziekenhuisinfecties een kruisbesmetting.

Bekende veroorzakers van ziekenhuisinfecties:

  • De Klebsiella
  • De stafylokok (MRSA = Meticilline Resistente Staphylococcus Aureus (MSSA = Sensitieve (gevoelige) variant)
  • De Pseudomonas
  • De Gram–negatieve Enterobacter
Deze typische ziekenhuisinfecties treffen de urinewegen, de huid, de longen en de luchtwegen.
Ook phlebitis (aderontsteking) wordt tot de ziekenhuisinfecties gerekend (op insteekplaats infuus).

9. Micro–organismen vanuit de tropen / ‘tropische ziekten’

Vroeger kwamen tropische ziekten voornamelijk in de tropen voor.
Door de snelle intercontinentale verbindingen met het vliegtuig komt het regelmatig voor dat tropische ziekten worden ingevoerd in westerse landen.
Voorbeelden van tropische ziekten zijn: Malaria, Dengue, Rickettsiosen, bacteriële infecties, leptospirose, borreliose, verschillende tyfussoorten, Q–koorts en infectieuze diarree door bacteriën, virussen en parasieten.

Voor alle met en door tropisch besmette micro–organismen overledenen geldt als regel: handschoenen / schort / handen wassen na contact.
In sommige gevallen geldt ook een (filter) mondneusmasker en / of aanvullende beschermende maatregelen.


© Copyright 2005 - Wiegman Communications www.uitvaart-adresgids.nl / www.overledenenzorgpro.nl